Willem Pleyte

Door Marije Vugts, Lustrumbundel 2000

Naar wie is ons dispuut eigenlijk vernoemd? Wie was deze Egyptoloog, wat heeft hij bereikt/gepubliceerd? Bij het samenstellen van deze bundel kwamen deze vragen herhaaldelijk naar voren. Vandaar dat ik enkele werken heb geraadpleegd om een korte biografie van deze veelzijdige man samen te stellen.

Willem Pleyte werd op 26 juni 1836 te Hillegom geboren als zoon van de Nederlands Hervormde predikant Cornelius Marinus Pleyte en zijn vrouw Gesina Marina van Voorthuysen. In september 1855 begint Pleyte aan zijn studie Theologie aan de Universiteit van Utrecht. Na zijn proponentsexamen in 1860 doet hij tevergeefs verschillende pogingen om te worden beroepen. Wanneer dit hem na twee jaar nog steeds niet is gelukt, pakt hij een nieuwe wetenschappelijke studie op. Dit keer wijdt hij zijn aandacht aan het oude Egypte.

In 1862 verschijnt zijn eerste Egyptologische publicatie “La religion pré-Israélite; recherches sur le dieu Set”. In dit werk betoogt Pleyte dat de Egyptische god Seth een oud-Hebreeuwse god zou zijn. Hij beweert zelfs dat in het Oude Testament herinneringen aan de verering van deze god door de voorvaderen van de Israëlieten in Egypte zouden zijn bewaard! Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit werk niet goed werd ontvangen. In hetzelfde jaar trouwt Pleyte met Catharina Margaretha Templeman van der Hoeven met wie hij in een pand aan het Rapenburg (nr. 83) gaat wonen; ze krijgen acht kinderen.

Pleyte blijkt vooral geïnteresseerd te zijn in het hiëratisch. In 1868 verschijnt zijn “Études Égyptologiques” waarin hij een vertaling geeft van de hiëratische tekst op de keerzijde van Leiden Papyrus I 348, die hij bovendien van commentaar voorziet. Deze tekst bestaat uit een verzameling van toverspreuken tegen verschillende ziekten. Ook behandelt Pleyte in dit werk het eerste deel van Dodenboek 125. Hiervoor heeft hij een veertigtal papyri in de collecties van Leiden en Parijs met elkaar vergeleken. Ook de papyri in het museum in Turijn worden door Pleyte bestudeerd. Met de hulp van de conservator van het museum Rossi [1] vertaalt en publiceert Pleyte deze papyri in 1869–1876. In zijn laatste grote werk “Chapitres supplémentaires du Livre des Morts 162-174” (1881-1882) vertaalt en analyseert hij verschillende delen van het Dodenboek [2]. Ook de ontdekking dat de Leidse Papyrus Bilingue oorspronkelijk één geheel vormde met een papyrus in Londen aan Pleyte worden toegeschreven, hoewel niet Pleyte zelf maar professor Hess uit Freiburg deze ontdekking uiteindelijk in 1892 publiceert.

Begin 1869 solliciteert Pleyte naar een plaats als conservator bij het “archeologisch kabinet”, de toenmalige naam van het Rijksmuseum van Oudheden. Door tegenwerking van de directeur C. Leemans doet hij dit rechtstreeks bij de regering. Ondanks deze tegenwerking wordt Pleyte per 1 februari 1869 aangesteld als conservator. Pleyte kreeg echter niet de Egyptische, maar de Klassieke en Nederlandse afdelingen onder zijn hoede. Gedurende zijn werk voor het museum doet Pleyte een poging om samenwerking tussen verschillende musea tot stand te brengen. In augustus 1878 schrijft hij een “open brief aan de bestuurders der geschiedkundige verzamelingen in Nederland”. Hij schrijft daarin onder andere:

“Ik zou, Mijne Heeren, u verenigd willen zien tot een verbond van Nederlandsche oudheidkundigen, om eenmaal ’s jaars de belangen over verzamelingen te bespreken, nadat wij het eerst over de hoofddenkbeelden eens waren geworden.” [3]

Helaas had dit initiatief geen vervolg.Nadat Leemans in 1891 met pensioen ging volgt Pleyte hem op als directeur van het RMO, waar hij vele verbeteringen aanbrengt. Zo reorganiseert hij de opstelling, creëert hij ruimte om te studeren en zorgt hij voor een aanzienlijke uitbreiding van de bibliotheek. Niet lang na zijn aanstelling als directeur krijgt Pleyte echter last van reuma. In januari 1903 vraagt hij zijn ontslag aan. Slechts enkele weken later, op 11 maart, overlijdt hij op 66-jarige leeftijd.

Pleyte was niet alleen binnen de wetenschap actief, hij bekleedde ook verschillende openbare functies. Zo richtte hij samen met A. Rutgers van der Loeff en J.H. Marinier een bewaar- en kweekschool voor bewaarschoolonderwijzeressen op. Deze was gevestigd aan het Rapenburg. Hij was regent van het Heilige Geest of Armen Wees- en Kindertehuis (gevestigd aan de Hooglandse Kerkgracht), secretaris van de Leidse Bouwvereniging en Lid van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen [4]. Pleyte was daarnaast ook Lid van de Commissie voor het Stedelijk Museum “De Lakenhal”. Als zodanig reorganiseerde Pleyte het museum. Het bezit werd gerangschikt, geïnventariseerd, genummerd en uiteindelijk bracht hij samen met Mr. A.M. Pleyte [5] de eerste catalogus van het museum uit. De reorganisatie van het Stedelijk Museum is niet het enige wat Leiden als stad aan Pleyte te danken heeft. Pleyte zette zich ook in voor het behoud van de Morschpoort en het “Kruithuisje”, ook wel “Oostenrijkse Toren” genoemd, gelegen aan de Jan van Houtkade, destijds nog Vestwal geheten, en… met succes.

Pleyte’s veelzijdige verdiensten bleven niet onopgemerkt. In 1871 ontving hij van de Italiaanse regering de “Orde van de Kroon van Italië”. Vier jaar later ontving hij, ter ere van het 300-jarige bestaan van de Universiteit Leiden, een eredoctoraat in de Letteren. Enkele jaren later werd hij Lid van de Koninklijke Academie van de Wetenschappen (1882) en in 1898 tenslotte werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het zal duidelijk zijn dat het niet mogelijk is om in een korte tijd een volledig overzicht te geven van het leven en de werken van Willem Pleyte. Wel hoop ik hiermee een idee te geven van wie Willem Pleyte was en wat hij heeft bereikt. Tot slot zou ik willen afsluiten met de woorden van P.A.A. Boeser uit het Levensbericht van Dr. W. Pleyte [6]:

“Pleyte was een man, begaafd met een groot en helder verstand, en open oog voor al wat op het gebied van zijne wetenschap en zijn maatschappelijk werk belangrijk was. Hij had bovendien eene buitengewone werkkracht, die helaas in het beheer van het Museum van Oudheden, te laat werd aangewend.” [7]

Noten

  1. Rossi voorziet Pleyte van facsimilés van de Turijnse papyri.
  2. Het gaat hierbij om de hoofdstukken die ten tijde van de XXVe dynastie aan het Dodenboek werden toegevoegd.
  3. Citaat is overgenomen uit het artikel van Boomsma, p. 17.
  4. Deze stelde zich tot doel “bij te dragen tot de verbetering van de verstandelijke, zedelijke en maatschappelijke toestand des volks, speciaal door invloed uit te oefenen op opvoeding en verheffing van de levensstandaard”.
  5. Wie deze man was is onduidelijk, mogelijk was hij een broer van Pleyte.
  6. In: Levensberichten der afgestorven medeleden van de maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, Leiden, 1904, p. 91-112.
  7. P.A.A. Boeser, “Levensbericht van Dr. W. Pleyte”, in: Levensberichten der afgestorvenen medeleden van de maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden”, Leiden, 1904, p. 91-112.

Korte chronologische bibliografie van Willem Pleyte

  • 1862: La religion des Pré-Israélites. Recherches sur le dieu Seth, Leiden.
  • 1866: Études Égyptologiques I: Étude sur un rouleau magique du musée de Leide; 1869-1876: Papyrus de Turin, Leiden.
  • 1879: Études Égyptologiques III: L’épistolographie égyptienne, Leiden, 1879 (onvoltooid).
  • 1879: Catalogus van het stedelijk museum te Leiden, Leiden.
  • 1881: Chapitres supplémentaires du Livre des Morts, Leiden.

Geraadpleegde werken

  • Bierbrier, M.L., Who was who in Egyptology, 3rd edition, 1995, p. 337.
  • Boomsma, P., “Wie was Willem Pleyte?”, Het Dispuut Pleyte, 1975-1980, p. 8-20.
  • Hasselbach, H.A., “Bibliografie van W. Pleyte”, OMRO 67, 1987, p. 93-99.
  • Schneider, H.D., Van Archeologisch Kabinet tot Rijksmuseum van Oudheden, Rijksmuseum van Oudheden, 1981, p.31-32.
  • Wijngaarden, D.J. van, Van Hiernius tot Boeser, 1935, p. 12-15.